Biografie






Jan Kleinbussink - Lebuïnuskerk - Deventer


J. Schneider: Praeludium und Allabreve G-dur;
Anoniem: Erbarm dich mein, O Herre Gott;
J.S. Bach: Wachet auf, ruft uns die Stimme;
J.L. Krebs: Fantasia, Trio und Fuge F-Dur;
F.C. Mohrheim: Hin feste Burg ist unser Gott;
J.L. Krebs: Freu dich sehr, o meine Seele;
M.G. Fischer: Vater unser im Himmelretch;
C.F. Ruppe: 2 Pièces pour l' Orgue ou Piano-Forte;
J.C. Kittel: Fantasia D-Dur;
G.A. Homilius: drie koraalbewerkingen;
F. Mendelssohn Bartholdy: Allegro (con Choral e Fuge d-Moll/D-Dur)

Jan Kleinbussink, Holtgrave-orgel
Grote of Lebuïnuskerk Deventer
Tuliprecords TURE 185004
speelduur 72' 17"
www.jqz.nl

Als er ooit een verkiezing zou worden gehouden voor de meest bescheiden organist van Nederland, dan zou Jan Kleinbussink ongetwijfeld hoge ogen gooien. Toch is Kleinbussink een musicus van formaat met een uitermate brede en gedegen opleiding. Hij studeerde orgel, piano, klavecimbel, muziektheorie plus koor- en orkestdirectie, en werd al tijdens zijn studie tot organist van de Lebuïnuskerk benoemd, om deze studie enkele jaren later met de Prix d'Excellence te bekronen. In zijn fonografische oeuvre zie je zijn veelzijdigheid weerspiegeld: hij maakte cd's als organist, als dirigent van het barokensemble 'Musica Aeterna' en als continuospeler in Ton Koopmans Amsterdam Baroque Orchestra. Eerder nam Kleinbussink al een cd op 'zijn' orgel op onder de titel Tussen Bach en Mendelssohnen dat had ook de titel van deze cd kunnen zijn: opnieuw vormen deze twee componisten in chronologisch opzicht het begin- en eindpunt van het programma. Jan Kleinbussink opent met een Praeludium en Allabreve in G van Johann Schneider. Soms wordt aan het adres van Krebs wel eens het verwijt geuit dat sommige van zijn werken overduidelijk op een voorbeeld van Bach zijn geënt, maar Schneider kan het ook: zijn Praeludium in een soort mix van Bachs Praeludium in G ("vivace") en de Dorische Toccata. De meeste werken op deze cd stammen uit de directe invloedssfeer van Bach; werken van diens leerlingen Krebs, Homilius en Kittel, die het stuk voor stuk uitstekend doen op het Deventer orgel. De drie-eenheid tussen repertoire, orgel en organist op deze cd is nagenoeg volmaakt. Kleinbussink is misschien niet het type organist om met machtsvertoon een grote Reger uit een orgel te smijten, maar hij betoont zich een uitermate fijnzinnig musicus, die 'zijn' orgel als zijn broekzak kent. Prachtig is bijvoorbeeld de samengestelde Cornet plus tremulant van het bovenwerk in het 'empfindsame' koraalvoorspel /Erbarm dich mein ' van een anonieme componist. Het bovenwerk herbergt ook een fraaie Nachthoorn 1 vt, die tintelt in het koraalvoorspel Hilft Gott, dass mir gelinge van Homilius. Om toch nog op een paar slakken zout te leggen: als sterfjaar van Krebs staat op de cd 1750 vermeld, en dat moet natuurlijk 1780 zijn. De dispositie staat wel vermeld, maar de gebruikte registraties helaas niet. Het boekje bevat enkele fraaie kleurenfoto's, waaronder een van de speeltafel,

Een minpuntje in de overigens voortreffelijke opname is de heel krappe montage aan het eind van sommige tracks, waarbij de 'outfade' plaatsvindt terwijl de nagalm nog nauwelijks is verstorven. Een boeiende cd die, als hij eenmaal in de speler ligt, nauwelijks meer van wijken weet: je blijft luisteren. Het is de tweede cd op het label Tulip Records, dat het opmerkelijke resultaat lijkt van een nieuwe artistieke koers van producer Jan Quintus Zwart

Lex Gunnink
de Orgelvriend
mei 2009